Questa Advocaten is een onafhankelijk advocatenkantoor met kantoren te Antwerpen en Brussel. Questa Advocaten wil ondernemingen begeleiden in hun zoektocht naar juridische optimalisatie van hun professionele activiteiten.

Questa Advocaten is gespecialiseerd in aannemingsrecht, overheidsopdrachten, omgevingsrecht, vastgoedrecht, insolventierecht en vennootschapsrecht en is op zoek naar twee fulltime advocaat stagiairs/medewerkers (m/v) voor haar afdeling privaatrechtelijk bouwrecht en voor haar afdeling omgevingsrecht te Antwerpen.

Deze afdelingen richt zich vooral naar grote en kleine aannemers, grote en kleine promotoren, studiebureaus, bouwheren, enz., weze het bij het voeren van bouwgeschillen in al haar facetten als bij het voeren van de administratiefrechtelijke procedures (Bestendige Deputatie, Raad van Vergunningsbetwistingen, …).

Jouw profiel:

  • Master in de Rechten, specialisaties in verbintenissenrecht, gerechtelijk recht of publiek recht zijn een pluspunt.
  • Ervaring in het bouwrecht is een pluspunt.
  • Je bent technisch sterk, communicatief vaardig, creatief en bovenal een teamplayer, die zich in een team kan integreren en ook zelfstandig en nauwkeurig kan werken.
  • Je beschikt over strategisch inzicht, en kan analytisch werken.
  • Een kwaliteitsvolle dossierbehandeling behoort tot jouw capaciteiten.
  • Kennis en vlot gebruik van Microsoft Outlook en Word.
  • Naast perfect Nederlands is bijkomende talenkennis een sterke troef.

Wij bieden:

  • Een sterke en professionele omkadering met langdurige en zeer ruime ervaring in de vakgebieden stedenbouw, aanneming, vastgoed en bouwrecht met ondersteuning op juridisch en organisatorisch vlak.
  • Interessante en uitdagende dossiers, met onder meer internationale vertakkingen, en met grote variëteit binnen deze vakgebieden.
  • Aangename werksfeer in een prestigieus kantoorgebouw dat beschikt over alle nodige technische infrastructuur.
  • Mogelijkheid tot uitbouw van een carrière aan de balie.
  • Een competitieve vergoeding.

Interesse?

Stuur uw CV met motivatie naar Mr. Filip Van der Veken, bij voorkeur per email: filip.vanderveken@questa-law.be om uw kandidatuur te stellen.

Sinds de Codextrein kon het betrokken publiek in beginsel enkel beroep instellen tegen een vergunningsbeslissing indien hij of zij deelnam aan het openbaar onderzoek door middel van het indienen van een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar.

Deze ontvankelijkheidsvereiste, ingevoerd door artikelen 133, 2° en 151, 3° van het decreet van 8 december 2017 houdende de wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving ter wijziging van artikelen 53 en 105 het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, werd door het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 14 maart 2019 vernietigd. De bestreden bepalingen beperken immers de toegang tot de rechter zoals bepaald in art. 13 van de Grondwet. Als gevolg van dit arrest worden belanghebbende niet meer verplicht een bezwaar in te dienen om te worden toegelaten  tot de beroepsprocedure.

Het verzoek van de Vlaamse Regering om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven werd door het Hof verworpen. Dit betekent concreet dat enkel vergunningsbeslissingen genomen op basis van aanvragen ingediend vanaf 30 december 2017 en waarvan de termijn van het administratief beroep of de termijn van het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog niet is verstreken, alsnog in aanmerking komen voor administratief of jurisdictioneel beroep.

U kan het arrest hier consulteren.

Geschreven door Elisa Fernandez, team construction & real estate law.

Christophe Minnart (39), gespecialiseerd in vennootschapsrecht en M&A, heeft de corporate M&A-praktijk van Questa Advocaten vervoegd als partner. Voorheen werkte hij achtereenvolgens in de corporate departementen van Stibbe en Liedekerke Wolters Waelbroeck Kirkpatrick en heeft hij in 2013 het Brusselse advocatenkantoor crosslaw mee opgericht.

Christophe Minnart is een Belgisch advocaat wiens praktijk zich voornamelijk richt op fusies en overnames, joint ventures, corporate governance, reorganisaties, vennootschapsrechtelijke adviesverlening, complexe vennootschaps- en commerciële contracten en geschillenbeslechting.

Hij adviseert KMO’s alsook grote internationale en/of genoteerde ondernemingen actief in diverse sectoren.

Naast zijn advocatenpraktijk, is Christophe gastdocent aan de KU Leuven en is hij verbonden aan het Instituut voor Verbintenissenrecht. Hij is eveneens benoemd als plaatsvervangend rechter.

Questa Advocaten is een semi full-servicekantoor in het ondernemingsrecht dat hoofdzakelijk actief is binnen het vennootschaps- en het handelsrecht, insolventierecht, ICT, vastgoedrecht en sociaal recht.

Christophe Minnart licht zijn overstap toe: Ik ben bijzonder verheugd om het dynamische team van Questa Advocaten te vervoegen. Questa Advocaten is een kantoor waarmee ik dezelfde visie en waarden deel: een aantrekkelijke combinatie van pragmatische en no-nonsens dienstverlening, hechte relaties met het cliënteel, een ondernemende ingesteldheid en een uiterst hoogstaand kwaliteitsniveau aan een betaalbaar tarief.

Dirk Beeckman, medeoprichter en partner bij Questa Advocaten becommentarieert: Wij zijn zeer opgetogen dat Christophe ons kantoor vervoegt. Zijn praktische ingesteldheid past naadloos in Questa’s cultuur en zijn indrukwekkende ervaring in complexe dossiers en zijn uitstekende reputatie op het terrein zijn strategische kwaliteiten om onze snelgroeiende corporate en M&A-praktijk te leiden en verder uit te breiden.

Op 17 mei 2017 zullen Dirk Beeckman en Kelly Matthyssens spreken op een gratis seminarie over de Algemene Verordening Gegevensbescherming, in samenwerking met Vectr. Consulting en Evolane.

In 2018 gaat de nieuwe Europese privacywetgeving van kracht. Ondermeer bedrijfsprocessen, systemen en software dienen hierop afgestemd te worden. Centraal hierin staat de bescherming van persoonlijke data. Om dit in de praktijk te realiseren, is het aangewezen het Security by Design en Privacy by Design principe te hanteren.

Wat zijn de belangrijkste punten uit de nieuwe wetgeving? Wat betekent dat voor mijn organisatie? En hoe implementeer ik dat nu eigenlijk? Kom het antwoord ontdekken tijdens ons seminarie op 17 mei, waar we samen de vertaalslag maken tussen GDPR en IT-implementatie.

Sprekers:
Dirk Beeckman en Kelly Matthyssens, Questa Advocaten.
Kristof Haeck, securityspecialist bij Evolane, zoomt in op de uitdagingen waarvoor bedrijven staan om een optimale en veilige online-ervaring te creëren.
Tom Michiels en Ignaz Wanders, data-architecten van Vectr. Consulting. Zij maken de vertaling van het juridische kader naar concrete use cases.Ze doen dit aan de hand van een project implementatie bij een direct-marketing bedrijf, waarbij Privacy by Design wordt ingebouwd.

Praktisch:
Waar? Congres- en Erfgoedcentrum Lamot, Van Beethovenstraat 8-10, 2800 Mechelen.
Wanneer? 17 mei 2017, vanaf 17:00 ontvangst. Om 18:00 stipt starten de presentaties. Afronden doen we na een netwerkdronk rond 21:00.

Inschrijven kan nog via de volgende link: Inschrijven.

Geschreven door Evelyn Waumans, semesterstagiaire bij het team corporate en IP/ICT recht.

De Insolventieverordening 1346/2000 werd per 20 mei 2015 herzien en de nieuwe Insolventieverordening 2015/848 zal van toepassing zijn op insolventieprocedures die op of na 26 juni 2017 geopend worden. Verordening 2015 bevat een aantal verfijningen.

Ten eerste werd het toepassingsgebied van de Verordening uitgebreid naar procedures waar de schuldenaar zelf de boedel bestuurt (debtor in possession’) en procedures in een situatie waar slechts een risico op insolventie bestaat, mits die procedure tot doel heeft de insolventie of een staking van de bedrijfsactiviteiten te voorkomen (art. 1). Ook de regels betreffende bevoegdheid werden aangepakt en opgekuist, in het bijzonder werd een definitie opgenomen van het veelbesproken COMI-begrip en werden enkele verdachte periodes ingevoerd (art. 3). Vervolgens zorgt Vo 2015 voor een nauwere coördinatie tussen de hoofd- en de territoriale procedures. Bovendien zorgt Vo 2015 voor een sterk verbeterde publiciteit op Europees niveau van verschillende juridische acties die betrekking hebben op insolventie. Tot slot stemt Vo 2015 zich af op de economische werkelijkheid, door een reeks nieuwe bepalingen te voorzien die de coördinatie van insolventieprocedures van groepsvennootschappen moet verbeteren (art. 56 t.e.m. 77). Mede hierdoor is Vo 2015 en haar preambule heel wat omvangrijker dan Vo 2000.

De rechtszekerheid wordt bevorderd met Vo 2015 door het invoegen van een definitie van het COMI-begrip in artikel 3.1: “Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is”. Deze bepaling werd overgenomen uit overweging 13 van Vo 2000 en sluit ook aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie. Van een echte grote wijziging in Vo 2015 betreffende het COMI-begrip is aldus geen sprake. Bij het lokaliseren van het COMI, komt het erop aan om voorrang toe te kennen aan de criteria die zichtbaar zijn voor derden en die het voorwerp uitmaken van publiciteit of tenminste voldoende transparant zijn zodat de schuldeisers er kennis van konden hebben.

Ten einde oneigenlijke of op fraudeleuze gronden gebaseerde forum shopping te voorkomen voert Vo 2015 enkele maatregelen in (overweging 29 Vo 2015). Het COMI-begrip wordt bijgestaan door de vermoedens vervat in artikel 3.1 Vo 2015. Het weerlegbaar vermoeden van de statutaire zetel voor vennootschappen en rechtspersonen blijft behouden. Voor natuurlijke personen die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefenen, voert Vo 2015 ook een vermoeden in: voor hen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het COMI vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. In het geval van andere natuurlijke personen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn.

Overweging 30 van Vo 2015 stelt dat het vermoeden van de statutaire zetel weerlegbaar is indien uit een integrale beoordeling van alle relevante factoren blijkt dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van de vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in een andere lidstaat bevindt.

De Europese wetgever is zich duidelijk bewust van het fenomeen van forum shopping en de nood aan waarborgen om dit fenomeen te voorkomen. Daarom wordt in Vo 2015 forum shopping ontmoedigd door het invoeren van verdachte periodes (‘look back periods’), waarin het vermoeden van de statutaire zetel, hoofdvestiging of gebruikelijke verblijfplaats niet zal gelden voor het bepalen van de internationale bevoegdheid. Voor vennootschappen en rechtspersonen wordt een periode van 3 maanden voorzien: indien de statutaire zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure naar een andere lidstaat is overgebracht, zal het vermoeden niet gelden. Voor natuurlijke personen die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefenen bedraagt de verdachte periode eveneens 3 maanden. Voor elke andere natuurlijke persoon bedraagt de verdachte periode 6 maanden. Of deze verdachte periodes veel effect zullen hebben in de praktijk, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Een belangrijke wijziging betreft de ambtshalve toetsing van bevoegdheid door de geadieerde rechter. Vo 2015 stelt dat de rechter, vooraleer een insolventieprocedure te openen, ambtshalve moet onderzoeken of het COMI van de schuldenaar of de vestiging zich daadwerkelijk binnen zijn rechtsgebied bevindt (art. 4). In de beslissing tot opening van de insolventieprocedure moet de rechter aangeven op welke gronden zijn bevoegdheid gebaseerd is, en meer bepaald of de bevoegdheid gegrond is op artikel 3, lid 1 (hoofdprocedure) of artikel 3, lid 2 (territoriale procedure). Bovendien kan de geadieerde rechter, indien hij twijfelt over het COMI, aan de schuldenaar aanvullend bewijs vragen. Om ervoor te zorgen dat deze maatregel niet louter resulteert in een ‘box ticking’ door de nationale rechtbanken, voert Vo 2015 een rechtsmiddel in voor de schuldenaar of schuldeiser die het niet eens is met de openingsbeslissing. Deze kunnen de beslissing tot opening van de hoofdprocedure voor de rechter aanvechten o.g.v. de internationale bevoegdheid (art. 5). Het blijft natuurlijk afwachten of deze maatregelen uiteenlopende nationale uitspraken kunnen voorkomen in de toekomst.

De wijzigingen, zoals hierboven besproken, betreffen dus voornamelijk een codificatie van bestaande regels en interpretaties van het COMI-begrip door het Hof van Justitie. De discussie over het COMI-concept lijkt dan ook zeker nog niet ten einde. De toekomst zal uitwijzen hoe er in de praktijk wordt omgegaan met de nieuwe bepalingen.

Geschreven door Lynn Vleugels, semesterstagiaire bij het team corporate en IP/ICT recht.

In het kader van de Digital Single Market strategie wordt de Europese regelgeving inzake digitale diensten grondig herzien (e-commerce, telecom, online platformen,…). Ook op het vlak van privacy en gegevensbescherming wordt het wetgevend kader hervormd. Als aanvulling op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR) en de nieuwe NIS- richtlijn, die beide 25 mei 2018 van toepassing worden, is er nu ook een voorstel gepubliceerd voor hervorming van de e-Privacy Richtlijn.

Het voorstel beoogt strengere privacyregels, in lijn met de strikte GDPR, voor alle elektronische communicatiediensten die gericht zijn aan eindgebruikers in de EU. Net zoals met de GDPR wordt de huidige richtlijn veranderd in een verordening, die de regels rechtstreeks toepasselijk maakt, in de hele EU.

Allereerst wordt in het voorstel het toepassingsgebied verruimd. Daar waar de huidige richtlijn zich louter tot de traditionele telecombedrijven richt, zou de verordening ook van toepassing zijn op marktspelers die communicatiediensten via het internet aanbieden, de “over-the-top” diensten (OTT) zoals Whatsapp, Skype, Facebook Messenger en e-maildiensten. Daarnaast zou de verordening ook toepassing vinden wat betreft elektronische communicatie tussen apparaten, het Internet of Things (IoT).

Het voorstel bevat ook nieuwe regels voor de opslag en verwijdering van de elektronische berichten en de metadata ervan (afkomst, datum,…). Na ontvangst moeten de dienstverleners de inhoud verwijderen of anonimiseren, tenzij ze uitdrukkelijke toestemming hebben bekomen van de eindgebruiker om de gegevens op te slaan of te verwerken, mits dat noodzakelijk is om de dienst te verlenen. Ook de metadata moeten worden verwijderd of geanonimiseerd behoudens toestemming, of indien ze noodzakelijk zijn voor de betaling of het opsporen van misbruik van de dienst.

Daarnaast wijzigt het voorstel de regels inzake ‘cookies’. De voorwaarden om cookies te plaatsen zijn: een actieve toestemming van de eindgebruiker en het weergeven van een duidelijke en specifieke reden voor het gebruik ervan. Volgens de nieuwe regels is echter geen toestemming meer nodig om de website of communicatie vlot te laten verlopen of om het aantal bezoekers te tellen. Met het voorstel zou de controle op de privacy-instellingen in het algemeen, waaronder het al dan niet accepteren van cookies, makkelijker worden.

Ook voor SPAM (of: ongewenste communicatie voor reclamedoeleinden) biedt het voorstel betere waarborgen. Voor alle elektronische (ook telefonische) marketing is toestemming nodig. Het wordt vereist dat callcenters, mits een speciale prefix of nummer, duidelijk maken dat het om reclame gaat. Wat betreft B2B-relaties stelt het voorstel dat de lidstaten zelf bepalen hoe ze ondernemingen hierbij voldoende kunnen beschermen.

Een laatste belangrijke wijziging betreft het sanctiemechanisme. Overeenkomstig de GDPR, zouden boetes kunnen worden opgelegd die tot 20 miljoen euro of 4% van de vorige globale jaaromzet.

Het blijft echter koffiedik kijken of ook deze hervormde verordening op 25 mei 2018 in werking kan treden, samen met de GDPR en de NIS-richtlijn.

Geschreven door Stefanie Vinck, semesterstagiaire bij het team corporate en IP/ICT recht.

Op 6 juli 2016 heeft het Europees Parlement een richtlijn aangenomen over netwerkbeveiliging en informatiesystemen (‘NIS Directive’). Het voorstel voor deze richtlijn dateerde al van 2013. Het doel is om een hogere beveiliging van netwerk- en informatiebeveiliging te verkrijgen over de hele unie.

Na de inwerkingtreding in augustus krijgen de lidstaten nog de tijd tot 9 mei 2018 om deze richtlijn te implementeren in hun eigen wetgeving. Dit heeft als gevolg dat bedrijven moeten beginnen met nadenken of zij onder deze nieuwe regelgeving vallen. Indien het antwoord hierop positief zou zijn, moeten zij nadenken of zij hun veiligheidsprocedure zullen moeten herzien en aanpassen naar het recht van het land waar ze zich bevinden.

De richtlijn zelf verplicht de lidstaten om voorbereid te zijn door de juiste uitrusting te hebben. Bijvoorbeeld door het oprichten van een NIS-autoriteit, samenwerking te creëren met andere lidstaten, … Ze zullen ook verplicht worden om een Computer Security Incident Response Team (CSIRT) in te zetten zodat er snel gereageerd kan worden op veiligheidsincidenten en zodat er informatie gedeeld kan worden over risico’s. De veiligheidscultuur zal zich uitstrekken over verschillende sectoren die van vitaal belang zijn voor de economie, van transport en water tot de cloud.

De Europese Unie zal zelf ook blijven werken aan cybersecurity. Dit door haar eigen netwerk, namelijk ‘the European Union Agency for Network and Information Security’ (ENISA). Bovendien haalde de Europese Commissie haar intentie aan om de cybersecurity te stroomlijnen, opleidingen te coördineren en trainingen te voorzien.

Anderzijds voorziet de richtlijn ook in de oprichting van twee werkgroepen: enerzijds is er de samenwerkingsgroep die de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten moet garanderen, anderzijds is er het CSIRT-team, dat hierboven reeds besproken werd.

Verder is nog vermeldenswaardig dat de lidstaten zelf bevoegd zijn om inbreuken op de richtlijnen te sanctioneren.

Geschreven door Robin Olivier Karpiel, zomerstagiair bij het team corporate en IP/ICT recht.

Arrest Hof van Justitie 7 september 2016 (c-310/15, Vincent Deroo – Blanquart t. Sony Europe Limited)

Huidige praktijk

Als een consument zich een nieuwe computer aanschaft, dan koopt hij niet enkel de computer zelf (hardware), maar ook de bijbehorende, voorgeïnstalleerde software. Deze gezamenlijke koop is op de dag van vandaag zeer gebruikelijk, aangezien de software in principe een kant en klaar gebruik waarborgt voor de consument. De voorgeïnstalleerde software krikt echter in grote mate de prijs van de aankoop op, meestal zonder dat de consument de keuze krijgt om geen software of slechts bepaalde softwareproducten te kopen. Uit deze praktijk volgen dan ook interessante prejudiciële vragen die hierna besproken zullen worden in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 2016.

Redenering van het Hof

Het Hof onderzoekt eerst of het kopen van een computer met voorgeïnstalleerde software, zonder mogelijkheid voor de consument om hetzelfde model computer zonder voorgeïnstalleerde software te kopen, een oneerlijke handelspraktijk vormt. Vervolgens buigt zij zich over het feit dat de kostprijs van elk afzonderlijk deel van software niet bekend is bij de consument.

Het Hof van Justitie stelt dat een belangrijk deel van consumenten een gezamenlijke koop met software verkiest boven een afzonderlijke koop. Daarnaast werd men in casu door de detailhandelaar naar behoren geïnformeerd over het bestaan van de voorgeïnstalleerde software en de kenmerken ervan.[1] Ten slotte had men de mogelijkheid om in te stemmen met de eindgebruikersovereenkomst, of men kon anderzijds de koop herroepen.

Het Hof vindt bijgevolg niet dat er sprake is van een wezenlijke storing van het economisch gedrag, waarbij een consument een transactie zou besluiten waartoe hij anders niet zou besluiten. Aangezien de consument ‘perfect’ geïnformeerd zou zijn en het hem vrij zou staan om een ander model te kiezen, al dan niet met software, stelt het Hof dat er hier in principe geen sprake zou zijn van een oneerlijke handelspraktijk.

De consument is wel op de hoogte van de totaalprijs en gebaseerd op bovenstaande redenering van het Hof, is het gezamenlijk aanbod van computer en software geen oneerlijke handelspraktijk. Het Hof lijkt hier te zeggen dat, aangezien het aanbod toch onafscheidelijk verbonden is, de afzonderlijke prijzen geen essentiële informatie[2] vormen voor de consument. Aangezien dit geen essentiële informatie is, belet dit de consument niet om een geïnformeerd besluit te nemen, waardoor dus geen sprake zou zijn van een misleidende handelspraktijk.

Kritische analyse

KEUZE VAN DE CONSUMENT

Bij aankoop van een computer hebben veel voorgeïnstalleerde softwareprogramma’s vandaag de dag maar een beperkte functie waardoor zij steeds dichter en dichter komen te staan bij advertenties. Zo is sommige voorgeïnstalleerde software onderworpen aan een proefperiode en zal men later een volledige versie moeten aankopen (trialware). Andere voorgeïnstalleerde programma’s dienen als een digitale doorverwijzing naar een site of een digitale winkel om zo via bijkomende betaling volledig gebruik van de software toe te staan (adware). Dergelijke ongewilde voorgeïnstalleerde software, ook wel bloatware genoemd, zet de consument meestal enkel aan om bijkomende uitgaven te doen. Bloatware heeft op zich een uiterst beperkt nut, maar wordt opgenomen in voorgeïnstalleerde pakketten aangezien zij een bron van inkomsten vormt.

Het Hof stelt dat consumenten voorgeïnstalleerde software verkiezen, maar maakt hierbij geen onderscheid tussen de OS[3], die voor vele consumenten een snel en eenvoudig gebruik waarborgt, en andere softwareprogramma’s die, ofwel enkel bijkomende functies vervullen, ofwel zoals hierboven uiteengezet onder bloatware vallen. Op deze wijze laat het Hof een quasi onbeperkte implementering van bloatware en andere nutteloze software toe, aangezien deze door de prejudiciële beslissing onlosmakelijk verbonden wordt met de rest van het aanbod.

Opvallend is dat het Hof hier geen ruimte laat voor de keuze van de consument. Hij krijgt immers enkel de keuze om de EULA te aanvaarden of om het apparaat terug te geven. Het lijkt echter consumentvriendelijker om de koper de keuze te geven om slechts bepaalde software aan te schaffen of zelfs geen. Het argument van het Hof dat een belangrijk deel van consumenten een direct bruikbare computer verkiest, gaat op in zoverre men het heeft over een OS. Het verklaart niet waarom een consument op vlak van andere programma’s geen beperkingen kan stellen.

Zelfs op vlak van een OS zou het in principe mogelijk moeten zijn om de software te weigeren. Het Hof gebruikt een omgekeerde redenering door eerst te zeggen dat het gezamenlijk aanbod geen oneerlijke handelspraktijk is, o.a. doordat de koper perfect geïnformeerd is over het aanbod en dat men daarom dus ook niet de aparte prijs van elk software-onderdeel moet kennen. Het is echter omdat de koper de exacte prijs niet kent van elk software-onderdeel, dat de consument niet voldoende geïnformeerd is en dat het gezamenlijk aanbod juist een oneerlijke handelspraktijk vormt. Indien consumenten op de hoogte zouden zijn van de bijkomende kosten van een OS, dan zouden zij op een geïnformeerde wijze kunnen deelnemen aan het handelsverkeer en eventueel ook besluiten om een goedkopere versie van de computer aan te schaffen, zonder OS of met een andere OS.

Het Hof lijkt vervolgens ook volledig het bestaan van open-source OS (Linux, GNU, …) te negeren. Hoewel open-source OS voor de gemiddelde consument minder toegankelijk is, houdt zij in de regel niet een aanzienlijke stijging van de totaalprijs in, zoals bij andere OS. Aangezien het Hof heeft besloten dat afzonderlijke prijzen van software-onderdelen geen essentiële informatie vormen, zal een consument zich niet op de hoogte kunnen stellen van het prijsverschil met open-source OS en zal hij deze hoogstwaarschijnlijk niet aanschaffen. Op deze wijze bevoordeelt de beslissing van het Hof onrechtstreeks populaire en duurdere OS en benadeelt zij open-source OS aangezien zij door hun prijsvriendelijke status vaak niet in voorgeïnstalleerde softwarepakketen zitten begrepen. Het Hof komt dus in dit opzicht met zijn prejudiciële beslissing tussen op concurrentieel vlak.

Het argument waarbij er gesteld wordt dat de consument steeds de mogelijkheid zou hebben om een ander model van computer te kopen indien hij niet akkoord zou zijn met de EULA is een pure fictie. Het Hof lijkt niet het besef te hebben dat bijna een absolute meerderheid van computerfabrikanten op dezelfde manier handelt als Sony in casu en dus gebruik maakt van duurdere OS die de prijs van het volledige product opdrijft.

Het moge dus duidelijk zijn dat deze rechtspraak op meerdere wijzen beperkend is ten aanzien van de keuze van consumenten.

Het Hof gaat met zijn recente beslissing in tegen eerdere Europese rechtspraak. De meest noemenswaardige uitspraak hieromtrent is misschien wel die van het Hof van Cassatie van Italië[4], door consumenten geprezen als het einde van de ‘Microsoft-Tax’. In deze zaak van 2014 werd beslist dat, met het oog op de keuzevrijheid van de consument en de concurrentie tussen bedrijven, software en hardware geen gezamenlijke koop vormen. Zo stelt het arrest dat men bij de aankoop van een computer twee aparte contracten sluit (een koop en een licentie) met elk apart een mogelijkheid tot terugbetaling.

Het Hof legt met dit arrest onnodige beperkingen op general purpose hardware zoals computers en besteed met haar beslissing weinig aandacht aan hun breed toepassingsgebied. In hoeverre dit arrest doorweegt voor andere apparatuur met voorgeïnstalleerde software is nog onduidelijk. Deze beperking inzake computers stelt voor consumenten van andere digitale apparatuur echter weinig positieve vooruitzichten.

 

[1] HvJ 23 april 2009, VTB-VAB NV vs Total Belgium NV, C‑261/07 en Galatea BVBA vs Sanoma Magazines Belgium, C‑299/07, punt 66.

[2] art 7, lid 4, Richtlijn 2005/29

[3] Operating System, bv. Microsoft Windows 7, Apple MacOS, Google Android, …

[4] http://www.italgiure.giustizia.it/xway/application/nif/clean/hc.dll?verbo=attach&db=snciv&id=./20140912/snciv@s30@a2014@n19161@tS.clean.pdf

Geschreven door Lynn Vleugels, zomerstagiaire bij het team corporate en IP/ICT recht.

In navolging van de Europese Dataretentierichtlijn die in 2014 vernietigd werd door het Europees Hof van Justitie, heeft het Grondwettelijk Hof ook de Belgische Dataretentiewet vernietigd op 11 juni 2015. Overeenkomstig deze wet moesten telecom- en internetoperatoren de communicatiegegevens waarover zij beschikken gedurende 12 maanden bewaren voor het onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten.

De reden van nietigverklaring ligt in het feit dat die bewaring in strijd werd bevonden met het gelijkheids- en non-discriminatie beginsel en het recht op privacy en eerbiediging van het privéleven. Beide hoven keurden de ruime en algemene bewaringsplicht af, omdat die werd toegepast zonder enig onderscheid betreffende welke gegevens bewaard moesten worden en van wie.

De Europese Commissaris (afdeling Binnenlandse Zaken) berichtte eerder dat er geen nieuwe richtlijn komt en het dus aan de lidstaten is om nieuwe, niet-strijdige, regelgeving op te stellen. De Belgische wetgever heeft in de nieuwe Dataretentiewet de bewaringsplicht behouden. Wel voorziet de wet in meer en betere waarborgen die de privacy moeten veiligstellen en het risico op misbruik beperken.

Een eerste belangrijke garantie is dat de beschikbaarheid van de persoonsgegevens afhankelijk is van het soort misdrijf. Hoe zwaarder de potentiële straf, hoe langer men toegang heeft tot de gegevens. De wet bepaalt duidelijk welke personen of overheden (gerechtelijke autoriteiten, politie, inlichtingendiensten,…) de gegevens mogen ontvangen en voor welke doeleinden. Daarnaast bevat de wet strengere toegangs- en beschermingsvoorwaarden zoals technologische bewaringsmaatregelen en organisatorische beveiliging van de gegevens.

De hervormde Dataretentiewet is op 28 juli 2016 in werking getreden en wijzigde hierbij de Wet op de Elektronische Communicatie, het Wetboek van Strafvordering en de Wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Daarnaast ging op 13 augustus 2016 het koninklijk besluit van kracht dat niet langer een onbeperkte bewaring van gegevens door de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst toelaat. Na 50 jaar – of in sommige gevallen reeds sneller – moeten zij alle persoonsgegevens vernietigen. In uitzonderlijke gevallen kunnen ze echter langer worden bijgehouden, bijvoorbeeld indien noodzakelijk in het kader van een gerechtelijk onderzoek. In die gevallen zal wel elke vijf jaar een evaluatie plaatsvinden waarbij de diensten bepalen of de gegevens nog moeten bewaard worden. Zo niet, worden ze onmiddellijk vernietigd.

Met al deze tijds- en gebruiksbeperkingen probeert de wet tegemoet te komen aan de moeilijke balans tussen het recht op privacy en criminaliteitsbestrijding. De nieuwe waarborgen die zijn ingevoerd moeten de proportionaliteit van de inmening in de privacy verzekeren en zo helpen aan de digitale opsporing van misdrijven, die in deze 21e eeuw een sterk hulpmiddel kan bieden.